ECLI:NL:CRVB:2010:BM5005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding deels vernietigd
De zaak betreft het hoger beroep van de curator in het faillissement van [H.] tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) tot beëindiging van zijn nabestaandenuitkering op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [K.]. De Svb stelde dat vanaf 31 maart 2000 sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor de uitkering moest worden beëindigd en teruggevorderd.
De Raad beoordeelde de feiten aan de hand van objectieve criteria en concludeerde dat voor de periode van 31 maart 2000 tot november 2004 voldoende bewijs bestond dat [H.] en [K.] een gezamenlijke huishouding voerden, mede gesteund door verklaringen van betrokkenen en getuigen. Voor de periode van november 2004 tot 1 oktober 2005 was er echter onvoldoende feitelijke grondslag om dit aan te nemen, mede door inconsistenties in verklaringen en gebrek aan concrete getuigenverklaringen.
De Raad vernietigde daarom het besluit van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het beroep gegrond voor het deel van de periode waarin onvoldoende bewijs was. De Svb werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd voor de periode november 2004 tot oktober 2005.