ECLI:NL:CRVB:2010:BM0834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en pensioenpremies in maatmaninkomen
Appellante, werkzaam als staffunctionaris P&O, meldde zich ziek na een verkeersongeval en ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Na een herbeoordeling in 2006 werd haar uitkering herzien naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, waarbij het UWV de door de werkgever betaalde pensioenpremies niet in het maatmaninkomen betrok.
Appellante voerde aan dat deze pensioenpremies als voordeel uit dienstbetrekking wel betrokken hadden moeten worden, wat haar uitkering op het oude niveau had gehouden. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat het werkgeversaandeel in pensioenpremies alleen in het maatmaninkomen wordt betrokken indien de werkgever meer premie betaalt dan gebruikelijk in de bedrijfstak. Uit de CAO voor de zuivelindustrie bleek dat het volledig betalen van pensioenpremies door de werkgever gebruikelijk was.
De Raad benadrukte dat de feitelijke situatie op het moment van vaststelling van het maatmaninkomen doorslaggevend is, niet de reden waarom de werkgever de premie betaalde. Ook de nadelige gevolgen voor appellante in de inkomenssfeer konden niet leiden tot een andere beoordeling. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat pensioenpremies niet in het maatmaninkomen worden betrokken indien deze niet hoger zijn dan gebruikelijk.