ECLI:NL:CRVB:2011:BV1030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6864 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens pensioenpremie maatmanloon

Appellant verzocht om herziening van zijn WAO-uitkering op grond van een vermeerd voordeel door een hogere werkgeversbijdrage in pensioen- en vutpremies. Het UWV wees dit verzoek af, waarop appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank oordeelde dat het UWV ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar een meer dan gebruikelijke pensioenpremie, vernietigde het besluit en gaf opdracht tot nieuw onderzoek.

Na nieuw onderzoek verklaarde het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat het bedrijf een eigen bedrijfstak vormt, waardoor vergelijking met andere pensioenregelingen binnen de metaalindustrie niet relevant is. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, stellende dat het voordeel voor werknemers groter was dan in de branche gebruikelijk.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de nieuwe informatie geen aanleiding gaf het eerdere standpunt te herzien. Gezien de unieke positie van het bedrijf en het eigen pensioenfonds is er geen sprake van een hogere dan gebruikelijke premie. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wegens pensioenpremie.

Uitspraak

10/6864 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te Spanje (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2010, 09/4443 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 oktober 1988 is de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met ingang van 1 augustus 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Bij besluit van 26 juni 2003 heeft het Uwv appellants verzoek om terug te komen van het besluit van 13 oktober 1988 afgewezen.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 22 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2003 opnieuw ongegrond verklaard.
1.4. Bij uitspraak van 23 april 2009, 08/2202, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of de werkgever meer pensioen- en vutpremie dan in de bedrijfstak gebruikelijk voor zijn rekening heeft genomen. In deze uitspraak is door partijen berust. De rechtbank heeft - naast bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 22 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
2. Bij besluit van 18 augustus 2009 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de conclusie van bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in diens rapport van 11 juli 2009, dat het werkgeversaandeel in de pensioenpremie niet bij het maatmaninkomen betrokken moet worden, onderschreven. Daarbij is overwogen dat [naam bedrijf] een eigen bedrijfstak vormde, zodat vergelijking met pensioenpremieregelingen bij bedrijven in de overige metaalindustrie niet aan de orde was.
4. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant - naast herhaling van de eerder in beroep geformuleerde gronden - onder meer aangevoerd dat maatgevend is of de werknemer voordeel heeft gehad ten opzichte van wat in de branche gebruikelijk is. Appellant had - zoals alle werknemers bij [naam bedrijf] - een duidelijk voordeel uit het emolument pensioen- en vutpremie ten opzichte van andere werknemers wegens de vergoeding die [naam bedrijf] voor zijn rekening nam. Verdiscontering daarvan in het maatmaninkomen leidt tot een hogere klasse-indeling dan de klasse 35 tot 45% waarnaar de WAO-uitkering per 1 augustus 1988 was berekend.
5. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv in de - als nieuw aangemerkte - informatie aanleiding had behoren te zien het eerder ingenomen standpunt te herzien. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan alleen dan het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie worden meegenomen in het maatmanloon, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 4 april 2003
(LJN AF7653) en 7 april 2010 (LJN BM0834).
5.2. Het Uwv heeft in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 juli 2009 gewezen op de bijzondere positie die [naam bedrijf] in Nederland heeft ingenomen. Gewezen is op de eigen CAO van [naam bedrijf], alsmede op het eigen pensioenfonds dat specifiek voor werknemers van [naam pensioenfonds], waarin in 1988 ten aanzien van de pensioenbijdrage voor de werknemers een gunstige regeling was opgenomen.
5.3. De Raad is met het Uwv van oordeel dat gezien de unieke positie van [naam bedrijf], de vraag of de werkgever een meer dan in de bedrijfstak gebruikelijke bijdrage in de pensioenpremie heeft geleverd ontkennend moet worden beantwoord, omdat [naam bedrijf] als uniek bedrijf in dit kader als één eigenstandige bedrijfstak dient te worden aangemerkt. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin het standpunt van het Uwv ter zake werd gevolgd dan ook volledig. De Raad is van oordeel dat nu er van moet worden uitgegaan dat sprake is van één bedrijfstak een vergelijking met pensioenregelingen bij andere bedrijven binnen diezelfde bedrijfstak niet aan de orde is. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) I.J. Penning.
KR