ECLI:NL:CRVB:2010:BL9748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit UWV wegens onjuiste premievaststelling en overschrijding redelijke termijn
Appellante werd door het UWV beboet wegens vermeende fraude met sociale verzekeringspremies over de jaren 1998 tot en met 2000. Het geschil betrof de vraag of de oproepkrachten met Duitse nationaliteit onder de Nederlandse of Duitse sociale verzekeringswetgeving vielen, en of er sprake was van fraude en opzet.
De Raad concludeerde dat de oproepkrachten onder de Nederlandse wetgeving vielen, omdat zij in Nederland werkten en er geen bewijs was voor detachering naar Duitsland. Uit onderzoek bleek dat appellante stelselmatig de lonen van deze oproepkrachten bewust laag hield, wat duidt op opzet of grove schuld.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht premies heeft nageheven en boetes heeft opgelegd, maar dat de hoogte van de boetes en correcties onjuist waren vastgesteld, onder meer vanwege wisselkoersgebruik en brutering van loonbetalingen. Tevens werd de redelijke termijn overschreden, waardoor de boetes met 50% dienen te worden gematigd.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van het UWV werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het moet een nieuw besluit nemen met matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn.