ECLI:NL:CRVB:2010:BL9498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-uitkering wegens onduidelijke verzekeringsperiode vernietigd
Appellant, geboren in 1939, verzocht op 10 mei 2006 om een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet verzekerd zou zijn geweest voor de AOW. Appellant voerde aan dat hij tussen 1968 en 1971 in Nederland werkte en onder de Ziekenfondswet verzekerd was geweest. Ter onderbouwing overhandigde hij onder meer bevestigingen van aanmelding bij het ziekenfonds, een controleboekje van een ziekenhuis en een legitimatiebewijs van zijn werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant onvoldoende concrete bewijsstukken over de verzekeringsperiode had geleverd. In hoger beroep oordeelde de Raad dat appellant aannemelijk had gemaakt dat hij enige tijd krachtens de Ziekenfondswet verzekerd is geweest, hoewel de exacte periode niet vaststaat. De Raad stelde dat indien de precieze periode niet kan worden vastgesteld, in ieder geval moet worden aangenomen dat appellant minimaal één jaar verzekerd is geweest, wat recht geeft op 2% van het maximale AOW-pensioen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd bepaald dat de Svb het door appellant betaalde griffierecht van €146 vergoedt. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden op 17 maart 2010.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale Verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.