ECLI:NL:CRVB:2010:BL9286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid op verzekeringsdatum
Appellant was van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2005 werkzaam in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden en ontving daarna een werkloosheidsuitkering. Op 17 oktober 2005 meldde hij zich ziek vanwege psychische klachten. Het UWV weigerde hem een WIA-uitkering toe te kennen met het argument dat hij bij aanvang van zijn verzekering op 1 oktober 2003 reeds volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij op 1 oktober 2003 arbeidsgeschikt was, onderbouwd met een verbeterde psychische situatie in 2001/2002 en een aangeboden functie per die datum. Het UWV stelde dat medische beoordelingen en evaluatierapporten geen aanwijzingen voor verbetering boden en dat appellant ongeschikt was voor zijn functie.
De Raad overwoog dat voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43 Wet Pro WIA voldoende en ondubbelzinnige indicaties moeten bestaan voor reële arbeidsongeschiktheid op de verzekeringsdatum. Uit de beschikbare gegevens kon niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat appellant op 1 oktober 2003 volledig arbeidsongeschikt was. Bovendien ontbraken medische stukken waarop het UWV zich baseerde. Daarom kon het besluit niet standhouden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van volledige arbeidsongeschiktheid op 1 oktober 2003 en het UWV moet een nieuw besluit nemen.