[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 juni 2009, 08/4051 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)
Datum uitspraak: 9 maart 2010
Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met registratienummer 08/1739, plaatsgevonden op 26 januari 2010. Voor appellant is mr. Balkema verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft over de periode van 26 mei 2004 tot en met 16 juli 2006 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 12 september 2006 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant met ingang van 14 augustus 2004 een WW-uitkering toegekend. Daarbij is meegedeeld dat bij wijze van verrekening deze uitkering over de periode van 14 augustus 2004 tot en met 16 juni 2006 tot een bedrag van € 15.081,61 netto is overgemaakt aan het College in verband met de door het College voor hem in deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 24.699,11. Het bezwaar tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 3 januari 2007 gegrond verklaard, voor zover is verzuimd mee te delen dat er een bruto bedrag van € 18.308,24 aan het College is overgemaakt. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Het Uwv heeft aan de onder 1.2 bedoelde verrekening ten grondslag gelegd de van het College ontvangen opgave van 8 augustus 2006 betreffende de voor appellant gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 augustus 2004 tot en met 16 juli 2006 (hierna: verrekeningsopgave).
1.4. Op 25 oktober 2006 heeft appellant bij het College bezwaar gemaakt tegen de verrekeningsopgave. Daarbij heeft appellant het College verzocht een besluit tot terugvordering te nemen.
1.5. Bij brief van 10 januari 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van het verzochte besluit tot terugvordering.
1.6 Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen de verrekeningsopgave niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot terugvordering ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure heeft het College daarbij afgewezen.
2. Het tegen het besluit van 31 juli 2008 ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
4.2. De Raad stelt vast dat appellant de juistheid van de verrekeningsopgave niet (meer) betwist. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat er geen sprake is van enig procesbelang van appellant bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak op dit punt.
4.3. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op het weigeren van een besluit tot terugvordering te nemen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College jegens appellant geen vordering heeft zodat het College niet bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. De stelling dat appellant bij een verrekening als de onderhavige geen rechtsingang heeft treft geen doel, aangezien tegen het besluit van het Uwv van 12 september 2006 rechtsmiddelen hebben opengestaan.
4.4. In hoger beroep heeft appellant nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn in beroep naar voren gebrachte standpunt dat, gelet op het niet tijdig beslissen op het verzoek om een besluit tot terugvordering, het College hem met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de in bezwaar gemaakte kosten, had moeten vergoeden.
4.4.1. Naar het oordeel van de Raad was het College, gezien het uitdrukkelijke verzoek van appellant om een besluit tot terugvordering te nemen, gehouden daarop te reageren. Gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen had het besluit moeten inhouden een weigering een terugvorderingsbesluit te nemen.
4.4.2. Het College heeft bij besluit van 31 juli 2008 het bezwaar ongegrond verklaard. Gelet op 4.4.1 heeft het College ten onrechte nagelaten het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om een terugvorderingsbesluit gegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten toe te wijzen.
4.4.3. Op grond van hetgeen onder 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 31 juli 2008 vernietigen voor zover daarbij is nagelaten het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om een besluit tot terugvordering te nemen gegrond te verklaren en de met dit bezwaar samenhangende kosten met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te vergoeden. De Raad zal een zodanige kostenvergoeding alsnog uitspreken.
5. De Raad ziet op grond van het voorgaande aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in elk van de genoemde procedures begroot op € 161,-- voor verleende rechtsbijstand, zijnde 2 punten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht met toepassing van de factor “zeer licht”, in totaal een bedrag van € 483,--
De Centrale Raad van Beroep;
Verklaart het hoger beroep voor zover het betrekking heeft op de verrekeningsopgave niet-ontvankelijk;
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de vergoeding van de in bezwaar, tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om een besluit tot terugvordering te nemen gemaakte kosten;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 31 juli 2008, voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om een besluit tot terugvordering te nemen;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 483,--;
Bepaalt dat het College het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffiegeld van € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.
(get.) A.B.J. van der Ham.