ECLI:NL:CRVB:2010:BL5422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en wachttijd
Appellant heeft meerdere keren een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 19 september 2001 en later. De rechtbank Rotterdam wees deze aanvragen af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op de gevraagde data arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO en omdat hij niet de vereiste wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid had doorlopen.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad stelt vast dat appellant geen concrete medische gegevens heeft overgelegd die zijn arbeidsongeschiktheid op de relevante data onderbouwen. Nieuwe medische rapporten, waaronder een rapport uit 2008 van een gynaecoloog, werpen geen ander licht op zijn arbeidsgeschiktheid.
Voorts oordeelt de Raad dat appellant geen rechtens relevante verwachtingen kon ontlenen aan een advies van een arbeidsdeskundige van het UWV. Ook is vastgesteld dat er geen eerdere relevante ziekmeldingen zijn dan die van 21 maart 2005, waardoor pas vanaf die datum een wachttijd kan lopen.
De Raad concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor de gevraagde WAO-uitkeringen en bevestigt de aangevallen uitspraken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkeringen wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid en de vereiste wachttijd.