ECLI:NL:CRVB:2010:BL3247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant diende op 9 november 2006 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met als opgegeven verblijfadres een woning in Rotterdam. Naar aanleiding hiervan werd op 6 december 2006 een huisbezoek afgelegd, waaruit bleek dat appellant geen persoonlijke eigendommen kon tonen en verklaarde dat hij sinds juli 2006 niet meer in de woning verbleef maar aan het zwerven was. Ook gaf hij aan dat zijn administratie bij zijn curator lag en dat hij geen administratie zelf had.
Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op grond van onjuiste opgave van het woonadres en vorderde het voorschotbedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde, maar de Raad stelde vast dat de feiten en omstandigheden, waaronder het huisbezoek, dit niet ondersteunen.
De Raad overwoog dat het huurcontract en de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet doorslaggevend zijn voor het bepalen van het hoofdverblijf. De bevindingen van het huisbezoek in maart 2007, waarbij appellant wel persoonlijke eigendommen toonde, zijn niet relevant voor de situatie in november 2006. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde.