ECLI:NL:CRVB:2010:BL3216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens onvoldoende waarschuwing
Appellant diende een aanvraag in voor een aanvullende bijstandsuitkering bij het Centrum voor Werk en Inkomen. Tijdens een gesprek werd afgesproken dat appellant uiterlijk 15 oktober 2006 aanvullende stukken zou aanleveren, met de waarschuwing dat het niet inleveren hiervan tot vertraging of afwijzing kon leiden. Het College stelde de aanvraag op 18 oktober 2006 buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van de gevraagde stukken.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het College ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het College hem niet had gewezen op de specifieke consequenties van een buiten behandeling stelling en dat dit onderscheid van belang is.
De Raad oordeelt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 Awb Pro de zorgvuldigheid in acht moet nemen en expliciet moet wijzen op de fatale termijn en de mogelijke buiten behandeling stelling bij overschrijding. Dit is niet gebeurd, waardoor het besluit niet aan de vereiste zorgvuldigheid voldoet. De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot buiten behandeling stelling van de aanvraag wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.