ECLI:NL:CRVB:2010:BL0347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2312 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering en terugvordering onverschuldigde voorschotten

Appellante ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van haar WAO-uitkering per 10 juli 2007 en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten over de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 ter hoogte van €9.990,48. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Raad onderschrijft deze beslissing.

Appellante voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde gronden aan als in eerste aanleg, zonder nieuwe motivering waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. De Raad concludeert dat de rechtbank deze gronden terecht heeft besproken en gemotiveerd waarom ze niet slagen. De door een psychiater ingediende brief met een gewijzigde diagnose bood geen voldoende grondslag voor volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 2004.

Met betrekking tot de terugvordering betwistte appellante voor het eerst in hoger beroep de hoogte van het bedrag, stellende dat er rekening had moeten worden gehouden met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%, verrekening van een WW-uitkering en reeds gedane betalingen. De Raad stelt echter dat de terugvordering beperkt is tot onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten en dat verrekening van WW-rechten en eerdere betalingen buiten het geschil vallen.

De Raad ziet geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige of voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 maart 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.

Uitspraak

09/2312 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 maart 2009, 08/445
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W.H.M. Koers, advocaat te Doesburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Diekema.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 11 februari 2008 – waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar de ingangsdatum van de intrekking van appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nader heeft vastgesteld op 10 juli 2007 en de terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde voorschotten over de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 tot een bedrag van € 9.990,48 heeft gehandhaafd – ongegrond verklaard.
2. Appellante heeft in hoger beroep hoofdzakelijk gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Appellante heeft in hoger beroep deze gronden slechts herhaald en niet aangegeven waarom naar haar opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is.
3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden van appellante op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
3.1. De door appellante ingezonden nadere brief van de behandelend psychiater S. Güner, gedateerd 9 december 2009, vermeldt weliswaar een gewijzigde diagnose ten opzichte van zijn eerdere rapportage van 19 juni 2008, maar bevat (opnieuw) geen afdoende motivering voor de stelling dat appellante volledig arbeidsongeschikt was vanaf het starten van haar behandeling in 2004. De Raad verwijst naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2009. Ook de Raad ziet geen aanleiding een onafhankelijk deskundige te benoemen.
3.2. Met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 heeft appellante pas in hoger beroep voor het eerst de hoogte van het bedrag betwist. Zij stelt zich op het standpunt dat geen rekening is gehouden met het feit dat zij in die periode recht had op een uitkering, die gebaseerd was op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Voorts gaat zij ervan uit dat er ten onrechte geen verrekening van een bedrag ad ongeveer € 3.200,-- aan WW-uitkering over de periode juni tot september 2006 heeft plaatsgevonden en dat is verzuimd rekening te houden met een bedrag van € 500,-- dat reeds is voldaan.
3.3. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit specificatie van 5 februari 2008 voldoende duidelijk dat de terugvordering is beperkt tot de onverschuldigd betaaldeWAO-voorschotten, die aan appellante zijn verleend in de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 in aanvulling op haar uitkering. De verrekening van WW-rechten en van hetgeen reeds terugbetaald is valt buiten de omvang van het thans aan de orde zijnde geschil.
4. Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) D.E.P.M. Bary.
IvR