ECLI:NL:CRVB:2009:BK9845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds augustus 2002 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek, waarbij onder meer een sociaal rechercheur verhoorde, dossieronderzoek deed en getuigenverklaringen werden verzameld. Op basis van deze bevindingen beëindigde de Svb de uitkering per 31 december 2005, omdat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante voerde aan dat haar verklaring onjuist was vastgelegd, dat zij woorden in de mond waren gelegd en dat getuigen haar woonsituatie niet konden beoordelen. De Raad oordeelde dat de verklaring, afgelegd onder ambtseed en ondertekend door appellante, voldoende en consistent bewijs vormde dat vanaf december 2005 sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp de stellingen van appellante dat zij niet op de hoogte was van de criteria voor gezamenlijke huishouding en dat haar verklaring onder druk was afgelegd. Ook de waarnemingen en verklaringen van buurtbewoners bevestigden het beeld van samenwonen. Gezien de geboorte van een kind in 2005 en het feitelijk samenwonen, was het recht op de nabestaandenuitkering per 31 december 2005 geëindigd. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 31 december 2005 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.