ECLI:NL:CRVB:2009:BK8378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot intrekking en terugvordering van bijstand handhaafde. Het geschil draait om de vraag of appellant in de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 mei 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met [A.B.], hetgeen gevolgen heeft voor het recht op bijstand.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat het College ten onrechte aannam dat appellant met zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voerde over een eerdere periode. Na nader onderzoek bleek echter dat appellant en [A.B.] fiscaal partners waren in 2002, wat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding oplevert volgens de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellant voerde aan dat het fiscale partnerschap berustte op een onjuist advies en dat er sprake was van een meerpersoonshuishouden vanwege een derde persoon in de woning. De Raad verwierp deze bezwaren, benadrukkend dat het fiscale partnerschap niet ongedaan kan worden gemaakt en dat het bestaan van een derde persoon geen afbreuk doet aan de gezamenlijke huishouding tussen appellant en [A.B.].
De Raad concludeert dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd over de periode waarin de gezamenlijke huishouding bestond. Er zijn geen dringende redenen gevonden om van intrekking of terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari tot en met 2 mei 2002 wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.