ECLI:NL:CRVB:2009:BK8226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2277 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks medische klachten en verzuimrisico

Appellante, werkzaam als secretariaatsmedewerkster, kreeg sinds 2001 een WAO-uitkering toegekend wegens diverse lichamelijke klachten met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

Het UWV herzag in 2006 haar uitkering naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid en verklaarde haar bezwaren hiertegen ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen en klachten, waaronder epilepsie en migraine, waren toegenomen en dat zij door frequent ziekteverzuim ongeschikt zou zijn voor werk.

De Raad oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van augustus 2006 juist waren en dat de geduide functies passend zijn. Tevens vond de Raad onvoldoende bewijs voor een excessief ziekteverzuim. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/2277 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 maart 2008, 07/4163
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.C.J. Timmer-Westra, werkzaam bij CNV Dienstenbond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen M.L. Steeksma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is werkzaam geweest als secretariaatsmedewerkster en heeft in verband met haar uitval in november 2000 wegens diverse lichamelijke klachten met ingang van 19 november 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend gekregen, berekend naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 18 december 2006 heeft het Uwv met ingang van 16 februari 2007 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Tevens heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2006 aan appellante een re-integratievisie toegezonden.
1.3. Bij besluit van 27 april 2007 zijn de bezwaren van appellante tegen deze beide besluiten ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 27 april 2007 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante alleen gronden opgeworpen tegen de herziening van haar WAO-uitkering. Zij heeft haar stellingen in bezwaar en beroep herhaald dat haar beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 augustus 2006 zijn onderschat. Gesteld is dat haar chronische lichamelijke klachten, die bestaan uit epilepsie, slechthorendheid, spanningsklachten, migraineaanvallen, vermoeidheidsklachten, frequente kaak- en luchtweginfecties, in de loop der jaren alleen maar zijn toegenomen waardoor het onbegrijpelijk is dat haar WAO-uitkering is herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Als gevolg van haar klachten is appellante blijkens een door haar overgelegd dagverhaal dagelijks tot weinig in staat. Nu zij geschikt wordt geacht voor een aantal (voorbeeld) functies gedurende 30 uur per week, zal zij ten gevolge van haar klachten regelmatig moeten verzuimen. Dit zal leiden tot een zodanig onacceptabel hoog ziekteverzuim dat indienstneming door een werkgever niet in de rede ligt.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Wat betreft de medische grondslag is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, onvoldoende grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts in acht genomen medische beperkingen van appellante als neergelegd in de FML van 31 augustus 2006. In haar rapport van 29 juni 2006 heeft verzekeringsarts Z.T. Canova naar aanleiding van anamnese, de verkregen informatie van de neurologen, internist en huisarts alsmede de eigen onderzoeksbevindingen, geconcludeerd dat sprake is van een scala van ernstige beperkingen op het psychisch als op het lichamelijke vlak. Vervolgens heeft zij beperkingen vastgesteld in alle rubrieken van de FML. Bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger heeft op grond van het in bezwaar aangevoerde en de overgelegde informatie vanuit de behandelend sector in zijn rapportage van 19 april 2007 gemotiveerd uiteengezet dat de FML van 31 augustus 2006 in stand kan blijven.
4.3. Voor de stelling van appellante dat op grond van haar klachten een excessief ziekteverzuim te verwachten valt, ziet de Raad in de beschikbare gegevens, waaronder de brief van neuroloog G.A.M. Verheul van 7 juli 2006 alsmede de brieven van internist
T. Koster van 23 augustus 2006 en 23 februari 2007, geen aanknopingspunten. De Raad verwijst naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts Logger van 19 april 2007 en schaart zich achter diens conclusies.
4.4. Op basis van de gedingstukken is de Raad tevens van oordeel dat door het Uwv voldoende overtuigend is onderbouwd dat appellante met de voor haar in de FML van 31 augustus 2006 opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen.
4.5. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ