ECLI:NL:CRVB:2009:BK5899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens inkomsten uit arbeid in voorafgaande periode
Appellant, die sinds oktober 1993 bijstand ontving, vroeg op 22 september 2004 een langdurigheidstoeslag aan. Het College wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij in de 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag geen inkomen mocht hebben gehad dat hoger was dan de bijstandsnorm. Na een eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank, handhaafde het College het besluit op grond van artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB, omdat appellant als zelfstandige inkomsten had ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellant tussen 1 januari 1999 en 31 januari 2000 videobanden verkocht via internet, wat als inkomsten uit arbeid wordt aangemerkt. Ondanks dat appellant stelde geen winst te hebben gemaakt, oordeelt de Raad dat dit niet relevant is, mede omdat appellant zichzelf als zelfstandige presenteerde en bewust verlies leed om zijn uitkering niet te schaden.
De Raad overweegt verder dat de arbeid niet van zeer geringe duur was en dat appellant geen arbeidsmarktperspectief had, maar dat dit niet tot een ander oordeel leidt. De afwijzing van de aanvraag langdurigheidstoeslag wordt daarom bevestigd. Er worden geen proceskosten aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellant in de voorafgaande 60 maanden inkomsten uit arbeid heeft genoten.