ECLI:NL:CRVB:2009:BK4848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks beroep op proportionaliteitsbeginsel
Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 1998 een WAO-uitkering vanwege psychische klachten. Het UWV trok deze uitkering in 2007 in, omdat appellante volgens hen weer in staat was om met haar beperkingen passende functies uit te oefenen met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, toegepast door het UWV, onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en het proportionaliteitsbeginsel. De Raad verwierp dit beroep en verwees naar vaste jurisprudentie die het Schattingsbesluit als rechtmatig beschouwt.
Verder stelde appellante dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had ingeschat en dat de aanvullende informatie geen nieuwe gezichtspunten bood. Ook de gehanteerde normaalwaarden werden als passend en laag vastgesteld beschouwd.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante met haar beperkingen de geduide functies kan uitoefenen en dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de intrekking van de uitkering terecht is. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd.