ECLI:NL:CRVB:2009:BK4389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand door niet tijdig verdisconteerd nabestaandenpensioen
Appellante ontving bijstand vanaf juni 2004 en twee nabestaandenpensioenen. Het College verrekende slechts één pensioen met de bijstand en herzag later het besluit, waarbij het teveel betaalde bedrag werd teruggevorderd. Appellante stelde dat zij beide pensioenen tijdig had gemeld en bewijs daarvan had overgelegd, waaronder een bankafschrift.
De Raad concludeerde dat appellante haar inlichtingenverplichting had nageleefd omdat het bankafschrift met beide pensioenbetalingen reeds bij de aanvraag was overgelegd. Het College had nalatig gehandeld door het tweede pensioen over het hoofd te zien. Verder was het niet aannemelijk dat appellante bewust informatie had achtergehouden.
De Raad oordeelde dat het College niet bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54 lid 3 onder Pro a WWB te herzien wegens schending van de inlichtingenplicht. Wel was het College bevoegd tot herziening op grond van artikel 54 lid 3 onder Pro b WWB vanwege het te hoog toegekende bedrag. De terugvordering moest echter beperkt blijven tot de periode van maximaal zes maanden na het signaal, conform de zesmaanden-jurisprudentie.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het College op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot terugvordering vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen met beperking van de terugvordering tot maximaal zes maanden.