ECLI:NL:CRVB:2009:BK4166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor minderjarige dochter wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellante, van Iraanse afkomst, vroeg bijzondere bijstand aan voor meerkosten ten behoeve van haar minderjarige dochter. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep bestreed appellante deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat appellante niet de Nederlandse nationaliteit bezit en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Artikel 16, tweede lid, van de WWB verhindert het verlenen van bijstand aan haar en haar dochter, ook als er zeer dringende redenen zouden zijn.
De Raad onderzoekt of het tweede lid buiten toepassing kan blijven vanwege strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind, maar oordeelt dat dit alleen kan als de kinderen rechtmatig verblijven of als uitzonderlijke omstandigheden gelden, zoals onmogelijkheid tot terugkeer. Appellante kon geen bewijs leveren dat zij tot deze uitzonderingen behoort.
Daarom blijft artikel 16, tweede lid, van toepassing en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand wordt bevestigd wegens niet-rechtmatig verblijf.