Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4083

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6099 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad die het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen bevestigde, ondanks dat het beroep van appellant tegen het besluit van 19 december 2007 gegrond werd verklaard en het besluit vernietigd werd. De rechtbank had vastgesteld dat het UWV bij de herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat appellant werkte in een functie van meer dan 38 uur per week, maar dit leidde niet tot een mate van arbeidsongeschiktheid boven de 35%.

De Raad heropende het onderzoek na constatering van onvolledigheid en ontving aanvullende stukken van beide partijen. Na beoordeling van de medische informatie, waaronder de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 februari 2007, concludeerde de Raad dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsartsen zorgvuldig en diepgaand was geweest. De Raad vond geen aanleiding om de belastbaarheid van appellant bij te stellen op basis van de WSW-indicatie of de aanvullende medische informatie van behandelaars.

De Raad oordeelde dat de voorgestelde functies medisch geschikt zijn voor appellant en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

08/6099 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 september 2008, 08/90 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een stuk ingezonden.
Na de behandeling van het geding ter zitting op 6 maart 2009 van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Het Uwv heeft desgevraagd stukken overgelegd, waarna van de zijde van appellant nadere stukken zijn ingezonden.
Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 2 oktober 2009, waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant aansluitend aan de wettelijke wachttijd per 8 oktober 2006 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Bij besluit van 19 december 2007 is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant in staat is om met zijn mogelijkheden en beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 19 december 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit, maar heeft vastgesteld dat het Uwv bij herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat hij voor zijn arbeidsongeschiktheid werkzaam was in een functie van meer dan 38 uur per week. Als daarmee wel rekening zou zijn gehouden, zou dat echter niet hebben geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%.
3. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen in stand te laten en met name tegen het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen en mogelijkheden van appellant juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 februari 2007. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt in de loop van de procedure een groot aantal informatiebrieven overgelegd van artsen die hem voor zijn klachten hebben behandeld.
4. De Raad komt tot het volgende oordeel.
4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad is met de rechtbank eens dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsartsen voldoende diepgaand en zorgvuldig is geweest, dat informatie van de behandelende sector is meegewogen en dat met de in bezwaar aangepaste FML van 22 februari 2007 in voldoende mate rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellant. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter afdoende heeft uiteengezet dat de aan de WSW-indicatie ten grondslag liggende stukken geen aanleiding geven om de belastbaarheid van appellant bij te stellen. Ten slotte biedt naar het oordeel van de Raad de informatie van de neuroloog G.M. Terwindt en GZ-psycholoog Y.N. Hartel onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de in de FML verwoorde beperkingen van appellant.
4.2. De Raad ziet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond voor het oordeel dat de appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en
M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) T.J. van der Torn.
IvR