Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4056

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6386 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot eerdere en verhoogde WAZ-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had een WAZ-uitkering toegekend met ingang van een jaar voor de aanvraagdatum en had een verzoek tot verhoging van de uitkering wegens hulpbehoevendheid afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ om af te wijken van de hoofdregel dat de uitkering niet eerder ingaat dan een jaar voor de aanvraag. Tevens voldeed appellante niet aan de voorwaarden voor een verhoging van de uitkering naar 100% van de grondslag.

In hoger beroep heeft appellante haar eerdere gronden herhaald en verzocht om aanhouding om nadere bewijsstukken in te dienen. De Raad verwierp dit verzoek omdat appellante eerder de gelegenheid had gehad om een psychiatrische expertise in te brengen, maar hiervan geen gebruik had gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep ziet geen aanleiding om het besluit van het UWV te wijzigen en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot eerdere en verhoogde WAZ-uitkering.

Uitspraak

05/6386 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 september 2005, 04/1191 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. L.M. Verkooijen, advocaat te Den Haag. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 8 september 2004 ongegrond verklaard.
1.2. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, het besluit van 10 juli 2003 gehandhaafd, waarbij appellante met ingang van 30 november 1999, zijnde een jaar voor de aanvraag, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is toegekend. Bij het besluit van 8 september 2004 heeft het Uwv tevens gehandhaafd het besluit van 7 augustus 2003, waarbij het verzoek om verhoging van de uitkering wegens hulpbehoevendheid is afgewezen.
1.3. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van appellante geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ, heeft voorgedaan om af te wijken van de hoofdregel dat de uitkering niet vroeger ingaat dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om de toekenning van de uitkering werd ingediend. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een verhoging van haar WAZ-uitkering naar 100% van de grondslag.
2. Appellante heeft in hoger beroep de gronden die zij ook reeds in beroep heeft aangevoerd herhaald. Tevens heeft zij verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld nadere bewijsstukken met betrekking tot haar hulpbehoevendheid in te dienen.
3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen.
3.2. De Raad ziet geen aanleiding tot inwilliging van het ter zitting herhaalde verzoek om aanhouding ten einde nadere stukken te kunnen inbrengen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de behandeling van de zaak ter zitting van 28 september 2007 op verzoek van appellante is uitgesteld, omdat zij haar stellingen met een psychiatrische expertise wenste te onderbouwen. Van deze gelegenheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt.
3.3. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
3.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
TM