AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en juiste vaststelling maatmanloon
Appellant, voormalig zelfstandig garagehouder, ontving een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na verkoop van zijn bedrijf trad hij tijdelijk in dienst als adviseur/verkoper, maar meldde zich ziek met toegenomen klachten. Het Uwv herzag de uitkering en trok deze per 1 december 2003 in, op grond van de geschiktheid van appellant voor bepaalde functies met een maatmanloon dat het Uwv vaststelde.
Appellant betwistte de hoogte van het maatmanloon en stelde dat het afgesproken loon van fl. 25.000,- te hoog was. De rechtbank oordeelde dat het Uwv het loon juist had vastgesteld, gebaseerd op het loon dat een ervaren werknemer in de functie volgens de CAO motorvoertuigen zou ontvangen. In hoger beroep bevestigde de Raad deze beoordeling en verwierp het beroep van appellant.
De Raad stelde vast dat de vergoeding van fl. 25.000,- uitsluitend betrekking had op de functie van bedrijfsleider/toezichthouder en niet op een bewakerstaak. Het maatmanloon van € 13,12 per uur werd als een juiste afspiegeling van de loonwaarde van een gelijksoortige werknemer beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitspraak
09/1882 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 februari 2009, 08/1575 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van het volledige procesverloop en de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraken die in deze procedure tussen partijen al zijn gedaan, te weten de uitspraken van de rechtbank van 26 april 2005, 04/682 en 19 april 2006, 05/1321 en de uitspraak van de Raad van 23 april 2008, 06/3051, alsmede naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellant was werkzaam als zelfstandig garagehouder en ontving in verband met handklachten vanaf september 1989 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar de klasse 35 tot 45%. Daarnaast heeft appellant zijn werkzaamheden deels voortgezet.
1.3. Per 1 maart 1997 heeft appellant zijn bedrijf verkocht aan een ander automobielbedrijf en is per die datum op een contract voor een half jaar tot 1 september 1997 bij dat bedrijf in dienst getreden als adviseur, waarbij werd afgesproken dat appellant 22,8 uur per week in de genoemde functie zou gaan werken en een bedrag van fl. 25.000,- zou verdienen gedurende die periode.
1.4. Kort voor het einde van het contract, op 25 augustus 1997, heeft appellant zich ziekgemeld met toegenomen klachten. In verband daarmee is de uitkering die appellant ontving op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 24 augustus 1998 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% en is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar dezelfde klasse. Het dagloon waarnaar de WAO-uitkering is berekend, is gebaseerd op het in de vorige overweging genoemde bedrag en een aantal van 130 werkdagen.
1.5. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw bezien. Uitgaande van de mogelijkheden en beperkingen van appellant die door de bezwaarverzekeringsarts in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2004 zijn vastgelegd, hebben de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige voor appellant functies geduid.
1.6. Gelet op hetgeen hij met deze functies nog kan verdienen, bedraagt appellants arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WAZ, uitgaande van zijn maatman als zelfstandige, 65 tot 80%. De herziening van de WAZ-uitkering naar deze klasse per 1 december 2003 staat in dit geding niet ter discussie.
1.7. In het kader van de WAO is appellant in de eerste plaats geschikt geacht voor de in loondienst in 1997 door hem verrichte werkzaamheden als adviseur/verkoper, zodat geen verlies resteert aan verdienvermogen.
1.8. Bij besluit van 19 november 2003 heeft het Uwv per 1 december 2003 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken. Bij besluit van 23 april 2004 zijn de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Na vernietiging van dit besluit door de rechtbank bij uitspraak van 26 april 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond verklaard bij besluit van 30 juni 2005. Nadat het beroep tegen dit besluit door de rechtbank bij uitspraak van 19 april 2006 ongegrond was verklaard, heeft de Raad die uitspraak en het laatstgenoemde besluit bij zijn uitspraak van 23 april 2008 vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen.
1.9. Bij besluit van 6 augustus 2008, het in dit geding door appellant bestreden besluit, heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 19 november 2003 wederom ongegrond verklaard. Primair acht het Uwv appellant geschikt voor de maatmanfunctie van bedrijfsleider/toezichthouder. Subsidiair acht het Uwv appellant in staat de geduide functies uit te oefenen, hetgeen in de visie van het Uwv betekent dat appellants verlies aan verdiencapaciteit minder bedraagt dan 15%. Deze subsidiaire grond is gebaseerd op het rapport d.d. 22 mei 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper, die van mening is dat voor de berekening van het maatmanloon van appellant niet moet worden uitgegaan van het afgesproken bedrag van fl. 25.000,- als vergoeding voor de werkzaamheden. Schipper acht dit bedrag te hoog en is van mening dat uit moet worden gegaan van wat de voormalig werkgever van appellant en Schipper zelf beschouwen als een reële vergoeding voor de afgesproken werkzaamheden.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de primaire onderbouwing van het herzieningbesluit, de geschiktheid voor het eigen werk, geen stand kan houden. Wel is de rechtbank van oordeel dat de beslissing kan worden gebaseerd op de geschiktheid van appellant voor de hem geduide functies. De in de FML van 16 maart 2004 opgenomen mogelijkheden en beperkingen moeten als in rechte vaststaand worden aangenomen en met die beperkingen kan appellant de genoemde functies verrichten. De Rechtbank kan zich verder vinden in de in overweging 1.9 aangegeven benadering van de bezwaararbeidsdeskundige.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn maatmanloon door het Uwv juist is vastgesteld. Appellant heeft voorts verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).
4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de door het Uwv te betalen vergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot alle fases van het onderhavige geding. Die vordering behoeft daarom geen bespreking meer.
4.2.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het maatmanloon van appellant juist heeft vastgesteld en overweegt in dat verband het volgende.
4.2.2. Desgevraagd is namens appellant aangegeven dat kan worden ingestemd met de benadering van het Uwv, indien het alleen zou gaan om een beloning voor de werkzaamheden van bedrijfsleider/toezichthouder voor 22,8 uur per week. De hogere beloning hield echter verband met het feit dat appellant woonde boven het bedrijf, zodat appellant een oogje in het zeil kon houden en het bedrijf kon bewaken.
4.2.3. De Raad acht echter niet aannemelijk dat de beloning tevens voor de bewakerstaak was afgesproken. Dat blijkt niet uit de overgelegde schriftelijke overeenkomst en onduidelijk is gebleven waaruit die bewaking precies bestond. Niet is gebleken dat is afgesproken dat appellant gedurende bijvoorbeeld de avond en nacht thuis moest blijven. Integendeel, appellant kon gaan en staan waar hij wilde. Na afloop van de contractstermijn is appellant bovendien boven het bedrijf blijven wonen, zonder dat hij daarvoor een vergoeding ontving.
4.2.4. De Raad houdt het er dus voor dat de vergoeding van fl. 25.000,- alleen is overeengekomen voor het gedurende zes maanden en 22,8 uur per week vervullen van de nader ingevulde functie van bedrijfsleider/toezichthouder. Uitgangspunt dient te zijn dat het maatmanloon een juiste afspiegeling vormt van de verdiensten van een aan de betrokkene gelijksoortige persoon. Bepalend is wat deze aan appellant gelijksoortige persoon zou hebben verdiend aan het einde van de zogenoemde wachttijd, in casu op 24 augustus 1998. Appellant zou al niet meer werkzaam zijn geweest in de genoemde functie met de bijbehorende, naar het oordeel van de Raad nogal van een reguliere dienstbetrekking afwijkende arbeidsvoorwaarden, omdat het contract al op 1 september 1997 zou zijn afgelopen en niet zou zijn verlengd. De Raad acht bovendien aannemelijk dat het overeengekomen loon aanmerkelijk hoger was dan wat zijn werkgever onder normale omstandigheden voor een werknemer in die functie zou hebben betaald, wat de werkgever later ook tegenover bezwaararbeidsdeskundige Schipper heeft bevestigd.
4.2.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het maatmanloon van appellant juist heeft vastgesteld door dat te baseren op het loon, dat de werkgever zou hebben betaald voor een ervaren werknemer met de functie die appellant heeft uitgeoefend, welke vergoeding is gerelateerd aan het loon dat in de CAO motorvoertuigen aan de functie is gekoppeld. Nu ook door de gemachtigde van appellant is bevestigd dat dit loon op zich in de lijn ligt van de reële loonwaarde van de functie, concludeert de Raad dat het Uwv dit maatmanloon terecht heeft vastgesteld op € 13,12 per uur.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.