ECLI:NL:CRVB:2009:BK3095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs woonadres
Appellant ontving sinds 11 november 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok bij besluit van 27 maart 2006 de bijstand in met ingang van 20 februari 2006, omdat volgens het College appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 4 mei 2006 ongegrond, waarbij het College stelde dat onduidelijk was of appellant zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat appellant die onduidelijkheid niet had weggenomen.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het College als belastend bestuursorgaan de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Het College heeft dit niet voldoende gedaan. Het lage gasverbruik werd weliswaar geconstateerd, maar het elektriciteitsverbruik was niet laag. Anonieme verklaringen van buurtbewoners zijn niet controleerbaar en het huisbezoek toonde aan dat appellant thuis was en bezig was met behangen van een slaapkamer.
De Raad vernietigt het besluit van 4 mei 2006 en herroept het besluit van 27 maart 2006. Tevens wordt het door appellant betaalde griffierecht vergoed. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.