ECLI:NL:CRVB:2009:BK1159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering maatvrouwloon
Appellante, die lijdt aan de ziekte van Bechterew, kreeg een WAO-uitkering toegekend vanwege haar arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering per 16 april 2007 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verwierp de beroepsgrond dat het maatvrouwloon te laag was vastgesteld omdat deze te laat was ingebracht.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV een te laag maatvrouwloon hanteerde en dat de rechtbank deze grond ten onrechte onbesproken had gelaten. De Raad oordeelde dat de rechtbank had moeten aanhouden omdat het UWV niet adequaat kon reageren op deze beroepsgrond. Tevens bleek dat het UWV zelf een hoger maatvrouwloon had berekend dan het gehanteerde, zonder dit toe te lichten.
De medische beroepsgrond werd verworpen omdat de verbetering in de gezondheid van appellante door een nieuwe therapie voldoende was onderbouwd. Ook werd vastgesteld dat het opleidingsniveau van appellante correct was ingeschat en dat de voorbeeldfuncties geschikt waren.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, verklaarde het beroep gegrond en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.