ECLI:NL:CRVB:2009:BK1115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding banktegoeden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat appellanten vier van de vijf bankrekeningen op hun naam niet hadden gemeld en dat de vermogensgrens werd overschreden. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand over de periode van november 1998 tot augustus 2001 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellanten stelden in hoger beroep dat de tegoeden op de rekeningen niet tot hun vermogen behoorden, omdat het geld in bewaring was gegeven namens een derde, K, met wie zij schriftelijke overeenkomsten hadden gesloten.
De Raad oordeelde dat appellanten niet voldoende tegenbewijs hadden geleverd. De overeenkomsten waren onduidelijk en niet objectief verifieerbaar, getuigen hadden de bewaargeving niet waargenomen en er waren talrijke twijfels over de geldstromen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.