ECLI:NL:CRVB:2009:BK0403

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1182 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief invorderingsbeleid

Appellante verzocht het College om een betalingsregeling en kwijtschelding van de restschuld na drie jaar betaling. Het College antwoordde met een brief van 12 februari 2008, waarin het voornemen tot beslaglegging op de uitkering werd medegedeeld, met inachtneming van de beslagvrije voet, en benadrukte dat volledige terugbetaling werd verwacht vanwege een fraudevordering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 17 juni 2008 gegrond en vernietigde dit besluit, omdat de brief van 12 februari 2008 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de brief slechts informatief is en geen rechtsgevolg heeft teweeggebracht.

De Raad verklaart het bezwaar van appellante tegen de brief niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:72, vierde lid, Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 oktober 2009.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de brief van 12 februari 2008 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 17 juni 2008 vernietigd.

Uitspraak

09/1182 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 januari 2009, 08/742 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Menterwolde.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 4 december 2007, voor zover van belang, heeft het College de bijstand van appellante en [naam E.H.] over de periode van 1 maart 2006 tot 1 oktober 2007 herzien en de kosten van bijstand over deze periode van hen teruggevorderd. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
1.1. Bij brief van 11 februari 2008 heeft appellante het College om een betalingsregeling verzocht alsmede om op basis van het door het College gehanteerde beleid de restschuld kwijt te schelden nadat drie jaar aan de betalingsregeling is voldaan.
1.2. Bij brief van 12 februari 2008 heeft het College daarop geantwoord dat het voornemen bestaat om op de uitkering van appellante van het UWV beslag te leggen, waarbij rekening zal worden gehouden met de beslagvrije voet. Tevens heeft het College erop gewezen dat uitgegaan wordt van een algehele terugbetalingsverplichting en dat er geen beperkingen gelden in de zin van een maximum aantal terugbetalingstermijnen omdat het in casu om een fraudevordering gaat.
1.3. Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen de brief van
12 februari 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 17 juni 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat de brief van 12 februari 2008 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg.
4.2. Naar het oordeel van de Raad bevat de brief van 12 februari 2008, voor zover van belang, slechts mededelingen van informatieve aard omtrent onder meer het invorderingsbeleid. Daarbij is van belang dat het inleidende verzoek van appellante, waarop de brief van 12 februari 2008 het antwoord vormt, betrekking heeft op een in de toekomst te nemen besluit waarbij, op grond van de dan aanwezige feiten en omstandigheden, over het al dan niet verlenen van kwijtschelding zal (kunnen) worden besloten. Niet is in te zien dat deze brief enig rechtsgevolg teweeg heeft gebracht.
4.3. Het bezwaar van appellante was dan ook niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 17 juni 2008 ingestelde beroep terecht gegrond heeft verklaard en dat besluit terecht heeft vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen, met dien verstande dat de Raad op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak zal voorzien door het bezwaar van appellante tegen de brief van 12 februari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en
W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.C. de Wit.
IJ