ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding immateriële schade wegens trage besluitvorming UWV
Appellant verzocht het UWV om vergoeding van immateriële schade die voortvloeit uit de trage behandeling van zijn verzoek om een zelfstandig schadebesluit, ingediend op 5 februari 2001. Het UWV wees dit verzoek af bij besluit van 7 september 2006, waarbij het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek werd betrokken. Appellant stelde geen beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar van 22 mei 2007 ongegrond en oordeelde dat de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaar was aangehouden vanaf de indiening van het bezwaarschrift. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en overwoog dat artikel 6 EVRM Pro betrekking heeft op de rechterlijke behandeling binnen een redelijke termijn, niet op bestuursorganen. Hoewel de bezwaarfase bij de beoordeling van de redelijke termijn wordt betrokken als er beroep is ingesteld, kan appellant geen aanspraak maken op schadevergoeding zonder dat het geschil aan de rechter is voorgelegd.
De Raad concludeerde dat geen nationale of internationale rechtsregel bestaat die een dergelijke aanspraak op vergoeding van immateriële schade bij bestuursorganen zonder rechterlijke tussenkomst ondersteunt. Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens trage besluitvorming door het UWV wordt afgewezen.