ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omvang WW-uitkering bij gedeeltelijke voortzetting zelfstandige activiteiten
Appellant, een voormalig WW-uitkeringsgerechtigde die sinds september 2006 als zelfstandig loonwerker/akkerbouwer werkzaam was, verzocht om volledige herleving van zijn WW-uitkering per 23 april 2007. Het UWV stelde de omvang van de WW-uitkering vast op 1 uur per week en handhaafde dit standpunt ondanks bezwaar van appellant. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het standpunt van het UWV.
De Raad overweegt dat een volledige herleving van de WW-uitkering slechts kan plaatsvinden indien appellant zijn zelfstandige bedrijfsactiviteiten volledig beëindigt. Omdat appellant na 23 april 2007 werkzaamheden bleef verrichten, kon de WW-uitkering niet volledig worden heropend. Daarnaast was er geen sprake van een schriftelijke en ondubbelzinnige toezegging van de re-integratiecoach die appellant een recht op een hogere WW-uitkering zou geven bij vermindering van zijn werkzaamheden.
De Raad concludeert dat het UWV terecht het recht op WW-uitkering per 23 april 2007 heeft vastgesteld op 1 uur per week en dat de situatie van appellant niet bijzonder is ten opzichte van andere zelfstandigen die ondernemersrisico lopen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt vastgesteld op 1 uur per week, omdat appellant zijn zelfstandige werkzaamheden niet volledig heeft beëindigd.