ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Onverbindverklaring artikel over taalvaardigheidseis in inburgering wegens strijd met evenredigheidsbeginsel
Appellante, een Amerikaanse oudkomer die sinds 1991 in Nederland woont, werd door het College van burgemeester en wethouders van Den Haag verplicht gesteld het inburgeringsexamen te behalen binnen vijf jaar. Zij stelde dat de korte vrijstellingstoets, die vereist dat men taalvaardigheden op niveau B1 beheerst, onredelijk bezwarend is omdat het inburgeringsexamen zelf lagere taalvaardigheidseisen kent (niveau A2 of A1 voor oudkomers).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat de brief van het College een besluit is dat de termijn voor het behalen van het examen in gang zet en dat appellante inburgeringsplichtig is. De Raad vond dat de hogere eisen van de korte vrijstellingstoets in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, mede gelet op de Memorie van Toelichting waarin staat dat niveau B1 voor velen een onneembare barrière vormt.
De Raad verklaarde artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering onverbindend voor zover het niveau B1 als voldoende taalvaardigheid aanmerkt. Hierdoor vangt de termijn voor het behalen van het examen niet aan bij inburgeringsplichtigen die niet de toets hebben afgelegd maar wel menen voldoende ingeburgerd te zijn. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van 29 oktober 2007 werd vernietigd en het besluit van 28 augustus 2007 werd herroepen. Tevens werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering wordt onverbindend verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd en het eerdere besluit wordt herroepen.