ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na geschil over op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht voor de pallethandel, maar slechts incidenteel aanwezig was om zijn zinnen te verzetten. Hij ontkende dat hij betaald werk had gedaan en stelde dat hij voornamelijk koffie dronk en kaartjes legde.
De Raad verwees naar verklaringen van appellant zelf, de eigenaar van het bedrijf en getuigen, waaruit bleek dat appellant regelmatig pallets verplaatste, boodschappen deed en de vrachtauto bestuurde, zowel op het terrein als daarbuiten. Deze werkzaamheden werden als op geld waardeerbaar aangemerkt, ongeacht of appellant hiervoor loon ontving.
Het Uwv had de inkomsten op redelijke wijze geschat, waarbij rekening werd gehouden met een vijfdaagse werkweek van vijf uur per dag en een netto uurloon van €8,-, conform de loonbetalingen door de werkgever. De Raad vond geen aanleiding om deze schatting aan te merken als onjuist.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De WAO-uitkering werd terecht vastgesteld op basis van de klasse van 55 tot 65% over de periode 1 juli 2001 tot 1 juli 2003.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de WAO-uitkering terecht is vastgesteld.