de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 februari 2008, 07/1559, 07/1560 en 07/1561 (hierna: aangevallen uitspraak),
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 11 september 2009
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2009. Appellant was vertegenwoordigd door B. de Weijer. Betrokkene is niet verschenen.
1.1. Bij besluit van 6 december 2006 heeft appellant onder toepassing van artikel 44 van de WAO bepaald dat de WAO-uitkering van betrokkene over de periode van 1 februari 2004 tot 1 december 2006 – in verband met door betrokkene in die periode genoten inkomsten – wordt uitbetaald naar een bij het besluit aangegeven wisselende mate van arbeidsongeschiktheid.
1.2. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft appellant betrokkene een boete opgelegd van € 121,-- voor het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
1.3. Bij besluit van eveneens 23 januari 2007 heeft appellant van betrokkene een bedrag van € 2.849,17 over de periode bedoeld in 1.1 teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.
1.4. Bij besluiten van 5 april 2007 heeft appellant het door betrokkene tegen de besluiten genoemd in 1.1 tot en met 1.3 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.5. Bij besluit van 20 december 2007 heeft appellant – hangende de procedure bij de rechtbank – het bezwaar van betrokkene bedoeld in 1.4 alsnog gegrond verklaard. Kort samengevat heeft appellant ten gunste van betrokkene de wisselende mate van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in 1.1 aangepast, de boete bedoeld in 1.2 verlaagd en het bedrag bedoeld in 1.3 verminderd.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gericht tegen de besluiten van 5 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 20 december 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het besluit van 6 december 2006 en de besluiten van 23 januari 2007 herroepen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 december 2007, het verzoek om schadevergoeding van betrokkene afgewezen en besluiten genomen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet gesteld kan worden dat betrokkene wist dan wel redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij vanwege haar wisselende maandsalaris sommige maanden teveel WAO-uitkering ontving en hiervan melding had moeten maken dan wel dat zij onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank stond het appellant hierom niet vrij om artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank heeft het besluit van 20 december 2007 vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
2.2. De rechtbank heeft het besluit dat ziet op de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering vernietigd omdat – kort samengevat – als gevolg van de vernietiging van het besluit tot toepassing van artikel 44 van de WAO de grondslag aan dit besluit is komen te ontvallen. De rechtbank heeft het besluit tot het opleggen van een boete vernietigd, omdat naar haar oordeel betrokkene niet kan worden verweten dat zij niet uit eigen beweging salarisspecificaties heeft overgelegd.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank ter zake van het besluit van 20 december 2007, het herroepen van het besluit van 6 december 2006 en de besluiten van 23 januari 2007 en het in de plaats treden van de uitspraak voor het besluit van 20 december 2007.
3.2. Appellant is van opvatting dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich in dit geval verzet tegen het met terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van de WAO.
4.1.1. De Raad overweegt als volgt.
4.1.2. Tekst noch strekking van artikel 44 van de WAO staan er in beginsel aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. De Raad wijst op zijn inmiddels ter zake ontwikkelde jurisprudentie zoals deze blijkt uit zijn uitspraken van 3 juni 2005, LJN AT7663, van 5 november 2008, LJN BG3717 en van 13 maart 2009, LJN BH6250.
4.1.3. Tussen partijen is niet in geschil dat zich in de periode bedoeld in 1.1 een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO. Betrokkene heeft in die periode inkomsten gehad als in dit artikellid is bedoeld. Aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 44 van de WAO is mitsdien voldaan.
4.1.4. Het gestelde onder 4.1.3 laat echter onverlet dat de toepassing van artikel 44 van de WAO onder omstandigheden in strijd kan zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
4.1.5. In hetgeen betrokkene in beroep en bij wijze van verweer in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant in weerwil van de uit artikel 44 van de WAO voortvloeiende gehoudenheid tot anticumulatie, niet tot anticumulatie had mogen besluiten. De omstandigheid dat betrokkene ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat zij van haar wisselende inkomsten geen opgave behoefde te doen heeft appellant terecht geen aanleiding gegeven af te zien van voormelde gehoudenheid.
4.1.6. Het is de Raad voorts niet gebleken dat van de zijde van appellant rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan betrokkene erop mocht vertrouwen dat zij geen volledige opgave van haar inkomsten zou behoeven te doen.
4.1.7. Het is de Raad ten slotte niet gebleken dat appellant zijn bij de toepassing van artikel 44 van de WAO gehanteerde bestendige gedragslijn – welke gedragslijn, zoals uit de uitspraak van de Raad van 5 november 2008, bedoeld onder 4.1.2 volgt, moet worden aangemerkt als buitenwettelijk beleid – niet consistent heeft toegepast.
4.1.8. De rechtbank is mitsdien – gelet op de inmiddels door de Raad gevormde jurisprudentie – ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het rechtszekerheidsbeginsel in dit geval aan de toepassing van artikel 44 van de WAO in de weg staat.
4.1.9. Het oordeel van de rechtbank omtrent de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering is gelet op hetgeen overwogen in 4.1.7 mitsdien evenmin juist.
4.1.10. De Raad deelt evenmin het oordeel van de rechtbank omtrent het door betrokkene niet nakomen van de inlichtingenplicht. Betrokkene heeft geen opgave gedaan van al haar inkomsten.
4.1.11. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien doel.
4.2.1. Tussen partijen is de hoogte van de inkomsten van betrokkene in de periode bedoeld in 1.1 niet in geding. Evenmin is in geding dat appellant op basis van deze verdiensten een juiste berekening heeft gemaakt van hetgeen waarop betrokkene met toepassing van artikel 44 van de WAO recht heeft en dat appellant het bedrag dat onverschuldigd is betaald juist heeft vastgesteld.
4.2.2. Betrokkene heeft tegen de boeteoplegging geen specifieke gronden ingediend.
4.2.3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2.1 en 4.2.2 dient de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten te worden vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond te worden verklaard.
4.2.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Centrale Raad van Beroep;
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2007 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2009.
(get.) M.A. van Amerongen.