ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand onterecht wegens onvoldoende grond voor huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het College trok deze in wegens onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar haar woonsituatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het huisbezoek op 25 januari 2006 niet redelijk was, omdat er geen objectieve feiten waren die twijfel opriepen over de juistheid van de woongegevens. Een eerder huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners bevestigden de ongewijzigde woonsituatie.
De Raad stelt dat het College niet bevoegd was de bijstand in te trekken op basis van artikel 54, derde lid, WWB, omdat de medewerkingsverplichting niet redelijk kon worden opgelegd zonder redelijke grond. Het besluit van het College wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en het beroep wordt gegrond verklaard.
Verder veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van de wettelijke rente over de vertraagde bijstandsuitkering, maar wijst een schadevergoeding voor overige kosten af. Ook wordt het College verplicht het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 september 2009.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd; het College wordt veroordeeld tot schadevergoeding en vergoeding van griffierecht.