ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding inkomsten uit arbeid
Appellant ontving bijstand over de periode van 5 oktober 2001 tot en met 30 juni 2002. De Belastingdienst verstrekte aan het College gegevens waaruit bleek dat appellant over de periode van 16 oktober 2001 tot en met 31 december 2001 loon had ontvangen van een vennootschap onder firma. Op basis hiervan herzag het College de bijstand en vorderde het terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet gedurende de gehele periode via de vennootschap had gewerkt en dat het loon onjuist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet de volledige periode had gewerkt, onder meer vanwege verblijf in het buitenland.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen over verblijf in het buitenland en niet-melding van inkomsten op het rechtmatigheidsformulier. Het College handelde binnen beleidskaders en was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.