ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellant diende op 10 april 2006 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde alleenstaand en zelfstandig te wonen. Het College wees de aanvraag af op grond van het vermoeden dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-vrouw op haar adres. Dit vermoeden werd gebaseerd op het feit dat zij gehuwd waren geweest en een kind hadden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat hij niet samenwoonde met zijn ex-vrouw.
De Raad oordeelde dat de bevindingen van het huisbezoek en het onderzoek onvoldoende aanknopingspunten boden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Het feit dat appellant regelmatig bij zijn ex-vrouw verbleef, was onvoldoende om te concluderen dat hij zijn hoofdverblijf daar had. De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt.