ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, werkzaam als uitzendkracht, viel in 2000 uit wegens nek-, hoofd- en rugpijn en kreeg vanaf 2001 een WAO-uitkering toegekend voor 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2006 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 15%, waarna de uitkering werd ingetrokken. In bezwaar en beroep werden medische en arbeidskundige rapporten overlegd die uiteenlopende standpunten innamen over de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig was en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) adequaat de beperkingen van appellant weerspiegelt. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde het primaire oordeel en betrok daarbij ook het rapport van de neuroloog, dat een vergelijkbaar beeld gaf. De Raad acht het niet nodig een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.
Ook de arbeidskundige beoordeling van het UWV wordt onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige reageerde adequaat op de kritiek van de door appellant ingeschakelde registerarbeidsdeskundige. De geselecteerde functies zijn medisch passend en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% wordt bevestigd.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door voorzitter Schoor en leden Zeijen en Kruisdijk.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.