ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen paardenfokkerij en vermogen
Appellanten ontvingen vanaf 1985 tot 2005 bijstand, aanvullend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij een Postbankrekening met aanzienlijke bedragen en een paardenfokkerij hadden verzwegen. De bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1997-2005.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden door het bezit en de verkoop van paarden niet volledig te melden. Dit vormt een rechtsgrond voor intrekking van bijstand als het recht daarop niet kan worden vastgesteld.
De Raad stelt echter vast dat het Dagelijks Bestuur ten onrechte de intrekking over de periode vanaf 1 januari 2003 baseerde op een ondeugdelijke motivering, omdat het positieve vermogen boven de vrijstellingsgrens reeds vanaf 2000 aanwezig was en schulden niet waren meegewogen. De door appellanten overgelegde boekhouding overtuigt niet voldoende.
Daarom vernietigt de Raad het besluit voor het intrekken van bijstand vanaf 2003 tot 2005, maar bevestigt het voor de periode 1997 tot 2003. Tevens veroordeelt de Raad het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor de periode 2003-2005 en bevestigd voor 1997-2003, met terugvordering en veroordeling in proceskosten.