ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks strafrechtelijke vrijspraak
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstandskosten die aan zijn vriendin waren verleend, omdat hij met haar een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd. Na een onderzoek door de sociale recherche en meerdere bestuursrechtelijke procedures werd vastgesteld dat appellant en zijn vriendin hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, wat voldoet aan de definitie van gezamenlijke huishouding volgens de WWB.
De rechtbank Assen had eerder het besluit van het College vernietigd wegens onvoldoende inzicht in de omvang van de terugvordering, maar na een nieuw besluit werd het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het dagelijks bestuur terecht heeft gehandeld en dat het besluit in overeenstemming is met het beleid.
Appellant voerde aan dat hij niet altijd over inkomsten beschikte, maar de Raad stelde vast dat hij vanaf november 2003 een Ziektewetuitkering ontving, die bij de beoordeling van gezinsbijstand meegewogen moest worden. Ook de strafrechtelijke vrijspraak van appellant werd door de Raad niet gevolgd, omdat bestuursrechtelijke procedures een ander toetsingskader en bewijsrecht kennen.
De Raad concludeert dat de terugvordering terecht is en bevestigt de aangevallen uitspraak, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten van appellant wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.