ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 20 mei 2003 bijstand als alleenstaande ouder nadat haar partner haar had verlaten. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek naar haar woonsituatie, inclusief observaties en een onaangekondigd huisbezoek. Hieruit bleek dat appellante en haar ex-partner hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en een gezamenlijke huishouding voerden, mede vanwege hun drie kinderen.
Het College trok de bijstand met ingang van 1 juli 2006 in en vorderde de kosten over de periode van mei 2003 tot juni 2006 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek en huisbezoek onrechtmatig waren en dat haar verklaring niet bindend was vanwege gezondheidsklachten.
De Raad oordeelde dat er voldoende grond was voor het huisbezoek en dat de verklaring van appellante, die zij ondertekende, betrouwbaar was. De bevindingen van het huisbezoek ondersteunden dit. De Raad concludeerde dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden en appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Hierdoor was de bijstand onterecht verleend en mocht het College deze intrekken en terugvorderen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding.