ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en vermogensoverschrijding
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het College stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en beschikten over vermogen boven de vrij te laten grens, waarna bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van appellanten, met name over de periode waarin het gezamenlijk hoofdverblijf niet aannemelijk was. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het bewijs over de gezamenlijke huishouding en vermogenspositie nader onderzocht.
De Raad concludeert dat appellanten van 31 juli 2003 tot en met 29 februari 2004 en van 1 februari 2006 tot en met 20 juni 2006 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant geen zelfstandig recht op bijstand had. Over de periode 5 januari 2005 tot en met 30 januari 2006 is dit niet aannemelijk gemaakt.
Verder is vastgesteld dat het medebezit van een auto door appellante de vermogensgrens niet overschreed, maar appellant onduidelijkheid creëerde over zijn vermogen door handel in motorfietsen en het bezit daarvan niet te melden.
De Raad vernietigt besluiten waar het bewijs ontbrak en bevestigt de bevoegdheid van het College om bijstand in te trekken en terug te vorderen waar de gezamenlijke huishouding en vermogenspositie zijn vastgesteld.
Uitkomst: Het College was bevoegd bijstand in te trekken en terug te vorderen over vastgestelde perioden wegens gezamenlijke huishouding en vermogensonduidelijkheid, maar besluiten zijn vernietigd waar onvoldoende bewijs was.