ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onverklaarbare discrepantie uitgaven en inkomsten
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1993 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van vermoedens over niet opgegeven werkzaamheden en een luxueuze levensstijl, voerde de sociale recherche een onderzoek uit dat leidde tot het besluit van het Dagelijks Bestuur om de bijstand met ingang van 1 januari 2003 in te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat er een onverklaarbare discrepantie bestond tussen het uitgavenpatroon van appellant en zijn echtgenote en hun inkomsten. Dit betrof onder meer kosten voor een aanbouw, een nieuwe keuken, een auto en een tuinhuis, alsmede lage geldopnames die niet strookten met de gehanteerde normen voor levensonderhoud.
Appellant voerde in hoger beroep nagenoeg dezelfde gronden aan, maar de Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Raad concludeerde dat appellant en zijn echtgenote de inlichtingenverplichting hadden geschonden en dat het Dagelijks Bestuur terecht de bijstand had ingetrokken vanaf 1 maart 2003.
De Raad oordeelde verder dat het onderzoek door de sociale recherche zorgvuldig en objectief was uitgevoerd en dat er geen noodzaak was voor observaties. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan appellant wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onverklaarbare discrepantie tussen uitgaven en inkomsten.