ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5838WAZ+09-395WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZ
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep op herziening WAZ-uitkering wegens inkomsten uit verleasen melkquotum

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAZ-uitkering, oorspronkelijk toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, te verlagen naar een mate van 25-35% en later 55-65% vanwege inkomsten uit verleasen van zijn melkquotum. Hij stelde dat deze inkomsten niet voortkwamen uit arbeid, maar uit uitgesteld bedrijfsvermogen, en dat deze onterecht in mindering werden gebracht op zijn uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de fiscale keuze van appellant bepalend is voor de vraag of sprake is van inkomsten uit arbeid, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant had zijn inkomsten uit het verleasen van het melkquotum als winst uit onderneming aangegeven en geen bijzondere omstandigheden aangetoond die afwijken van deze fiscale keuze.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat appellant met het aangaan van een leaseovereenkomst en het nemen van beheersbeslissingen ten aanzien van het melkquotum inkomsten uit arbeid genereerde. Ook de beperkte omvang van de arbeidsinbreng na het sluiten van de overeenkomst was niet voldoende om de inkomsten als vermogen te kwalificeren. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de fiscale keuze en wees het hoger beroep af.

De Raad achtte geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraken. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Doornewaard en leden Brand en Hilhorst-Hagen op 17 juli 2009.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de WAZ-uitkering wordt verlaagd op grond van inkomsten uit verleasen van het melkquotum als inkomsten uit arbeid.

Uitspraak

07/5838 WAZ
09/395 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 september 2007, 07/598 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 8 december 2008, 08/765 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 door mr. I.E. Elgersma, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en tegen de aangevallen uitspraak 2 door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Sipma. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1.1. Bij besluit van 22 september 2006 is bepaald dat de aan appellant toegekende WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in verband met verdiensten op grond van artikel 58 van Pro de WAZ over het jaar 2004 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.1.2. Bij besluit van 25 oktober 2006 is bepaald dat de aan appellant toegekende WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in verband met verdiensten op grond van artikel 58 van Pro de WAZ over het jaar 2005 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.2. Bij besluit van 26 februari 2007 heeft het Uwv het door appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.
Voor de vraag of sprake is van inkomsten uit arbeid, is de fiscale keuze van de betrokkene bepalend, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Appellant heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over de jaren 2004 en 2005 de inkomsten uit het “verleasen” van zijn melkquotum aangegeven als winst uit onderneming. Hij heeft zich derhalve jegens de fiscus op het standpunt gesteld dat de inkomsten voortvloeien uit arbeid. Appellant heeft niet ondubbelzinnig aangetoond dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met zijn fiscale keuze. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van het uitgangspunt van de fiscale keuze is dan ook niet gebleken.
1.4. Appellant heeft zich in hoger beroep – evenals in bezwaar en beroep – op het standpunt gesteld dat de inkomsten uit het verleasen van zijn melkquotum niet voortkomen uit het verrichten van arbeid, maar zijn aan te merken als een vorm van uitgesteld bedrijfsvermogen. Deze inkomsten zijn abusievelijk opgegeven in box 1 en mogen volgens appellant dan ook niet in mindering worden gebracht op zijn uitkering.
2.1. Bij besluit van 1 november 2007 is bepaald dat de aan appellant toegekende WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in verband met inkomsten uit werk of onderneming op grond van artikel 58 van Pro de WAZ over het jaar 2006 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
2.2. Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen het besluit van 13 maart 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in essentie hetzelfde overwogen als in de aangevallen uitspraak 1.
2.4. Appellant heeft in hoger beroep in essentie hetzelfde aangevoerd als in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1.
3. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanknopingspunt gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Dat betekent dat ook de Raad geen aanleiding ziet om bijzondere omstandigheden aan te nemen en af te wijken van het uitgangspunt dat de fiscale keuze van appellant (het bij de beëindiging van zijn bedrijf aanhouden van het melkquotum om niet te hoeven afrekenen met de fiscus en het vervolgens jarenlang verleasen daarvan) bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van Pro de WAZ. De Raad wijst daartoe op het volgende.
4.2.1. Appellant heeft zijn inkomsten uit het verleasen van zijn melkquotum in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over de jaren 2004, 2005 en 2006 aangegeven als winst uit onderneming. Bovendien heeft appellant over de jaren 2005 en 2006 verzocht om toepassing van de arbeidskorting. Hieruit wordt afgeleid dat appellant de inkomsten uit het verleasen van zijn melkquotum in ieder geval op het moment van aangifte beschouwde als inkomsten uit arbeid.
4.2.2. Appellant is op enig moment na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid overgegaan tot het verleasen van zijn melkquotum en is daartoe een overeenkomst aangegaan met de leasende veehouder. Appellant heeft daarmee ten aanzien van zijn melkquotum een aantal beheers- en beleidsbeslissingen (over onder andere de leasesom, de looptijd en de overige voorwaarden van de overeenkomst) genomen met als doel het genereren van inkomsten uit zijn melkquotum. Dat de daartoe verrichte activiteiten van een beperkte omvang zijn geweest, maakt voor de kwalificatie van die activiteiten als arbeid niet uit.
4.2.3. Dat (ook) de arbeidsinbreng in de jaren na het sluiten van de lease-overeenkomst slechts een beperkte omvang heeft gehad – appellant controleerde iedere maand of de leasesom was ontvangen en hoefde niet in het geweer te komen, omdat steeds volledig en op tijd werd betaald – is weliswaar aannemelijk, maar evenmin reden om de inkomsten uit het verleasen van het melkquotum in afwijking van de fiscale keuze van appellant (alsnog) als inkomsten uit vermogen aan te merken.
5. Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen falen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.E. van Rooij.
EV