ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum WW-uitkering na beëindiging dienstverband per 1 februari 2007
Appellante was sinds 1 november 1992 in dienst bij haar werkgever en het dienstverband eindigde met wederzijds goedvinden per 1 februari 2007, waarbij een stimuleringspremie werd overeengekomen. Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd toegekend met ingang van 1 mei 2007. Het UWV stelde dat de vertrekpremie gelijkgesteld moet worden met loon over de opzegtermijn, uitgaande van een schriftelijke beëindigingsovereenkomst op 3 januari 2007.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor een eerdere schriftelijke beëindigingsovereenkomst in december 2006. De verklaring van een voormalige leidinggevende werd niet overtuigend geacht, mede vanwege tegenstrijdige telefonische verklaringen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de beëindigingsovereenkomst al in december 2006 schriftelijk was gesloten. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en stelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de beëindiging reeds in december 2006 schriftelijk was overeengekomen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en oordeelde dat er geen grond was voor schadevergoeding of proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 juli 2009 en bevestigt de ingangsdatum van de WW-uitkering op 1 mei 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering ingaat op 1 mei 2007 wegens onvoldoende bewijs van eerdere schriftelijke beëindigingsovereenkomst.