ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 mei 2006
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van de erven van betrokkene tegen het besluit van het UWV om de WAO-uitkering per 1 mei 2006 in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten omdat in de beroepsfase alsnog een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing was verstrekt. In hoger beroep betoogden appellanten dat deze onderbouwing onvoldoende was, onder meer met een verklaring van revalidatiearts Van der Meij.
De Raad oordeelde dat de verklaring van Van der Meij niet relevant was voor de datum in geding (1 mei 2006) omdat deze arts pas later kennis had genomen van de situatie en niet beschikte over gegevens van vóór die datum. Ook het bezwaar dat de datum in de uitspraak niet duidelijk was, verwierp de Raad omdat uit de uitspraak onmiskenbaar bleek dat 1 mei 2006 de datum in geding was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering bleef daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 1 mei 2006 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.