ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet wegens inkomsten ex-echtgenoot
Appellante ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) herzag en trok deze toeslag in omdat haar ex-echtgenoot gedurende de betreffende periode inkomsten uit arbeid had, wat leidde tot een te hoog of onterecht toegekende toeslag. Tevens vorderde het Uwv onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, onder meer omdat zij niet aannemelijk maakte dat haar ex-echtgenoot vanaf 1999 niet meer bij haar woonde en omdat de terugvordering terecht was. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de terugvordering verjaard was en dat het onterecht was dat niet ook van haar ex-echtgenoot werd teruggevorderd.
De Raad oordeelt dat het Uwv verplicht was de toeslag te herzien en in te trekken op grond van artikel 11a van de TW. De stelling dat appellante dubbel gestraft wordt faalt, omdat terugvordering plaatsvindt van degene die aanspraak maakt op de toeslag. De Raad vernietigt het terugvorderingsbesluit voor zover het betrekking heeft op de periode vóór 10 juni 1998 wegens verjaring en onvoldoende motivering van het Uwv omtrent de aanvang van de verjaring. Voor de periode vanaf 28 september 1998 vernietigt de Raad het besluit en bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen. De proceskosten worden aan appellante toegewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt de herziening en intrekking van de toeslag, vernietigt delen van de terugvorderingsbesluiten wegens verjaring en onvoldoende motivering, en beveelt het Uwv nieuwe besluiten te nemen.