ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.C.F. Talman
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand na niet-naleving inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1997 bijzondere bijstand en vanaf 2000 algemene bijstand. Bij een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand bleek dat zij in 2003 aangifte deed van diefstal van contant geld en sieraden, maar geen melding maakte van bankrekeningen op haar naam. Het College trok de bijstand met ingang van april 2005 in en vorderde de kosten van de verleende bijstand terug.
Appellante vroeg opnieuw bijstand aan, maar het College stelde de aanvraag buiten behandeling vanwege het niet tijdig overleggen van gevraagde gegevens. Bezwaar tegen de besluiten werd ongegrond verklaard door het College en de rechtbank. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten.
De Raad maakte onderscheid tussen de periode vóór en na de diefstal. Voor de periode tot mei 2003 beschikte appellante over contant geld en sieraden met een waarde boven de vrij te laten vermogensgrens, waardoor zij geen recht had op bijstand. Voor de periode daarna had zij meerdere bankrekeningen die niet aan het College waren gemeld. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het tegoed niet tot haar vermogen behoorde.
De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand introk en de kosten terugvorderde. Ook was het College bevoegd de nieuwe aanvraag buiten behandeling te laten wegens het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.