ECLI:NL:CRVB:2009:BI9793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering ondanks medische klachten en overschrijding redelijke termijn
Appellant, voormalig operator, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Na een verlaging van 80-100% naar 35-45% per 1 juni 1983, bleef deze mate ongewijzigd. Appellant voerde aan dat hij reeds vóór die datum last had van hartklachten en diabetes mellitus, en dat zijn beperkingen onvoldoende waren erkend.
De Raad overwoog dat het primaire onderzoek door een niet-verzekeringsarts onvoldoende was, maar dat dit gebrek was hersteld door aanvullend onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Er was geen bewijs dat de genoemde klachten vóór 1 juni 1983 bestonden, waardoor deze in een niet-verzekerde periode waren opgetreden. De arbeidskundige beoordeling bevestigde de geschiktheid van de functies, met uitzondering van de monteur/assembleerder, maar dit leidde niet tot herziening van de uitkering volgens artikel 37 van Pro de WAO.
Verder stelde de Raad vast dat de totale procedureduur van ruim 7 jaar en 7 maanden de redelijke termijn overschreed. De overschrijding was deels toe te rekenen aan zowel het bestuursorgaan als de rechterlijke instanties. Daarom werd het onderzoek heropend met het oog op een mogelijke schadevergoeding wegens deze overschrijding. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en de Staat der Nederlanden werd als partij in de procedure aangemerkt.
Uitkomst: De voortzetting van de WAO-uitkering met 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het onderzoek wordt heropend voor een nadere uitspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.