AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens niet voldoen aan referteperiode
Appellant ontvangt sinds 2001 bijstand en heeft op 9 oktober 2006 een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 WWBPro. Deze toeslag werd geweigerd omdat appellant in de referteperiode van 60 maanden inkomsten had uit arbeid, namelijk een netto bedrag van €541 als huiswerkbegeleider in de periode februari tot juni 2005. Dit werd niet gemeld en niet verrekend met de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat door een herzieningsbesluit op bezwaar en terugvordering van teveel betaalde bijstandskosten het inkomen in de referteperiode niet boven de bijstandsnorm lag. De Raad oordeelde echter dat het feitelijke inkomen in die periode boven de norm lag en dat de latere terugvordering hieraan niet afdoet.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, WWB, die vereist dat gedurende 60 maanden geen inkomen boven de bijstandsnorm is genoten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellant in de referteperiode inkomsten boven de bijstandsnorm had.
Uitspraak
07/6386 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 oktober 2007, 07/161 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenlanden (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 4 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. R. Bonis, kantoorgenoot van mr. Meeuwsen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Mik, werkzaam bij de Regionale Dienst Alblasserwaard Oost/Vijfheerenlanden.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt bijstand sinds 22 februari 2001, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).
1.2. Op 9 oktober 2006 heeft appellant een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 vanPro de WWB aangevraagd. Bij besluit van 3 november 2006 is geweigerd appellant de langdurigheidstoeslag toe te kennen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij tijdens een ononderbroken periode van 60 maanden (hierna: de referteperiode) geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen. Appellant heeft namelijk in de periode van februari 2005 tot en met juni 2005 als huiswerkbegeleider gewerkt en hiervoor een bedrag van € 541,-- netto ontvangen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 9 januari 2007 ongegrond verklaard, onder toepassing van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Daarbij is overwogen dat appellant van deze inkomsten destijds geen melding heeft gemaakt, zodat deze toen ook niet zijn verrekend met de bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonder dan 65 jaar die:
a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeftPro;
b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;
c. ……
d. ……
4.2. De Raad stelt vast - en dit is tussen partijen ook niet meer in geschil - dat appellant in de referteperiode gedurende enige tijd inkomsten heeft ontvangen die tot gevolg hebben dat appellant toentertijd een inkomen heeft genoten dat hoger is dan de bijstandsnorm.
4.3. Van de kant van appellant is naar voren gebracht dat bij besluit op bezwaar van11 oktober 2007, voorzover hier van belang, de herziening van de bijstanduitkering over de periode van 2 februari 2005 tot en met 30 juni 2005 en de terugvordering van de teveel betaalde kosten van bijstand tot een bedrag van € 862,30 bruto, dit in verband met het niet melden van vorenbedoelde inkomsten, is gehandhaafd en dat tegen dit besluit geen beroep is ingesteld, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden. Dat betekent volgens appellant dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel gesteld kan worden dat appellant gedurende de referteperiode een inkomen heeft gehad dat niet hoger is geweest dan de bijstandsnorm.
4.4. Dit argument kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen. Immers, feit is dat appellant van 2 februari 2005 tot en met 30 juni 2005, derhalve in de referteperiode, daadwerkelijk over een inkomen heeft beschikt dat boven de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm lag. De omstandigheid dat appellant later een bedrag aan kosten van bijstand dient terug te betalen kan, ook al ziet dat bedrag op een gedeelte van die referteperiode, hieraan niet afdoen.
4.5. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd ziet op de toepassing van artikel 36, eerste lid onder b, van de WWB en behoeft, nu de Raad artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, aan verlening van een langdurigheidstoeslag in de weg ziet staan, geen bespreking meer.
4.6. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.C.F. Talman en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.