ECLI:NL:CRVB:2009:BI8400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering gezinsbijstand op grond van verblijfsstatus zonder schending EVRM artikel 8
Appellant, met Chinese nationaliteit en sinds 1978 in Nederland verblijvend, vroeg gezinsbijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze werd geweigerd vanwege zijn verblijfsstatus. De rechtbank Rotterdam vernietigde het besluit wegens procedurele tekortkomingen, maar oordeelde inhoudelijk dat de kinderen een voorliggende voorziening ontvingen en appellant geen recht had op bijstand.
Appellant stelde in hoger beroep dat het weigeren van gezinsbijstand in strijd was met internationale verdragsbepalingen, waaronder het Europees Sociaal Handvest, het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en artikel 8 EVRM Pro. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de koppelingswetgeving een onderscheid naar nationaliteit maakt dat verenigbaar is met internationale non-discriminatiebepalingen.
De Raad benadrukte dat artikel 8 EVRM Pro positieve verplichtingen kan inhouden, maar dat in deze zaak de weigering van bijstand niet leidt tot een aantasting van de kern van het recht op privé- en gezinsleven. Er is een fair balance tussen de publieke belangen van het koppelingsbeginsel en de particuliere belangen van appellant. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van gezinsbijstand bevestigd.