ECLI:NL:CRVB:2009:BI8390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten, voormalig gehuwd en ouders van vier kinderen, ontvingen bijstand als alleenstaande ouder en alleenstaande. Na een onderzoek in 2006 waarbij observaties, huisbezoeken en verhoren plaatsvonden, concludeerde het College dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 juli 2002 tot en met 30 september 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat zij gezamenlijk hoofdverblijf voerden en daarmee een gezamenlijke huishouding. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel en wees op erkenning door appellanten zelf tijdens nadere verhoren. Het beroep op artikel 13 van Pro het Europees Sociaal Handvest werd verworpen omdat deze bepaling geen direct afdwingbaar recht inhoudt.
De Raad concludeerde dat appellanten de wettelijke inlichtingenplicht schonden en het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen, waarbij het terugvorderingsbedrag gematigd werd tot het verschil tussen de norm voor gehuwden en de reeds ontvangen bijstand. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid leidden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.