ECLI:NL:CRVB:2009:BI8070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing aanvullende beperking
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te beëindigen per 24 juni 2007. De rechtbank onderschreef het besluit, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat zijn psychische klachten en de ernst daarvan onvoldoende waren meegewogen, en dat een aanvullende beperking op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet was meegenomen.
De Raad stelde vast dat verzekeringsarts Van der Zwaag een aanvullende beperking had geformuleerd die betrekking had op de sociale en werkomgevingsfactoren, zoals de match met collega’s en steun van de leiding. Deze aanvullende beperking was niet in de FML opgenomen, omdat persoonlijke affiniteiten volgens de bezwaarverzekeringsarts niet in de FML kunnen worden verwerkt.
De Raad oordeelde dat het UWV deze aanvullende beperking wel had moeten betrekken bij een nadere arbeidskundige beoordeling. Nu dit niet was gebeurd, ontbrak een deugdelijke onderbouwing van het besluit. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.
Verder werd geoordeeld dat de overige beperkingen van appellant correct waren verwerkt in de FML en dat er geen aanleiding was voor een arbeidsduurbeperking. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.