ECLI:NL:CRVB:2009:BI7942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ontheffing arbeidsverplichting WWB ondanks medische klachten
Appellante, die samen met haar echtgenoot bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was tot 1 oktober 2006 ontheven van de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is geconcludeerd dat zij beperkingen heeft, maar wel in staat is tot licht fysiek werk. Het College heeft daarom de ontheffing per 1 oktober 2006 opgeheven en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar arbeidsmogelijkheden onjuist zijn ingeschat, onder meer op basis van een brief van haar huisarts waarin wordt gesteld dat zij het niet ziet zitten om te werken vanwege lichamelijke klachten. De Raad oordeelt echter dat deze brief geen medisch objectiveerbare informatie bevat die het eerdere oordeel onderbouwt.
De Raad sluit zich aan bij de rechtbank en het College dat de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een voldoende basis vormen voor het besluit. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ontheffing van de arbeidsverplichting van appellante per 1 oktober 2006.